Hoofdstuk 6

Bevrijding (1945)

In de trein is iedereen helemaal gek en op de stations word ik belaagd door mensen die dansend wijn en champagne aanbieden. Het is een ‘brultrein’ naar Nijmegen. Daar staat een jeep met chauffeur op mij te wachten. Dat heeft Gouman geregeld. De chauffeur vertelt dat we naar de Grebbelinie moeten. Dat is toch macaber. Ga ik dan eindigen waar ik vijf jaar geleden ben begonnen?

Via een noodbrug rijden we vanuit Nijmegen om Arnhem heen. Ik ken die Grebbelinie als mijn broekzak dus ik gids hem er dwars doorheen. We zijn nog maar net onderweg als we het bericht ontvangen dat de Brigade is vertrokken naar Den Haag.

‘Er achteraan’, zeg ik tegen de chauffeur.

Bij Utrecht willen we de autoweg op maar de betonbaan is helemaal stuk geschoten. We gaan binnendoor en beleven een ware triomftocht. Overal zijn honderden mensen op straat. Er wordt gedanst en gedronken. De militairen worden luidruchtig toegejuicht. Ik word door tientallen meiden gezoend. Ik kijk mijn chauffeur aan en zeg:

23.tif

De feestelijke intocht van de Prinses Irene Brigade in Den Haag.

‘Blijf wel recht voor je uit kijken hè. Jij stuurt, ik doe het vrijwerk.

Hij knipoogt met een vette grijns. Na anderhalf uur rijden we vlak voor Den Haag op de ‘kont’ van de Brigade. Mijn batterij zit veel verder naar voren. In één groot militair lint rijden we de feestende stad binnen. Het is een gekkenhuis. Duizenden mensen langs de weg. Uitzinnig van vreugde. Uitgelaten en dol. Hoeden vliegen door de lucht en iedereen wil de manschappen aanraken. Ik kijk rond of ik mijn vader en moeder zie. Dat is niet zo. Ik schrik van de grote tankgracht die om Den Haag is gegraven en die wordt geflankeerd door metershoog prikkeldraad. Lang duurt dit staren niet. Iedereen is in de ban van het uitbundige bevrijdingsfeest. In het centrum vind ik Gouman terug en voeg mij bij de batterij. We moeten in een huis een commandopost maken. Ik zeg dat ik een huis met bedden wil omdat ik het verdom het om nog één nacht op een veldbed te slapen. Ik bel aan. Niets. Nogmaals. Niets. Een fractie later wordt er van boven geschoten. Wat zullen we nou weten? Snel ren ik naar de carrier en pak de bazooka. Die heb ik tijdens de oorlog niet gebruikt. Met een gericht schot blaas ik de voordeur eruit. Meteen daarna komt er een kerel naar buiten. Z’n handen in de lucht. Het blijkt een luitenant van de Waffen ss. Een Hollander. Zijn wijf hebben we op straat geflikkerd. Daarna komt Gouman naar me toe,

‘Jan, donder maar op naar huis. Neem eten mee en hier heb je een fles jenever. Die heb ik voor je geratst, maar ga naar huis. Ga snel naar huis Jan.’

Ik stap in de jeep. Ik ben blij dat ik naar mijn ouders kan. O, wat wil ik ze graag weer zien, voelen en spreken. Maar waarom dringt Gouman zo aan op mijn snelle vertrek? Die vraag blijft onbeantwoord omdat ik in de ban ben van het naderende weerzien met mijn ouders. Gouman heeft de jeep volgeladen met blikken corned beef, biscuit, wijn en jenever. Ik ga boven op de dooie stieren zitten en rij tussen de menigte door naar de Sweelinckstraat. Na ruim vier jaar zie ga ik mijn ouders weer zien. Die ouwe arts en mijn lieve moeder. Ik bel aan. De deur gaat open. Ik schrik. Mijn vader is helemaal vermagerd. Zijn boordje zit ver onder z’n kin en zijn broek zakt van z’n lijf. Huilend staat hij in de deur­opening. Ik zeg:

‘Wat zal ik nou beleven. Ik ben toch levend terug.’

‘Je moeder is doodgeschoten Jan.’

Alle gevoel stroomt uit me weg. Ik ben leeg en bedwelmd door verdriet. Ik stamel:

‘Wanneer?’

‘In januari’, snikt mijn vader.

Ik zak ineen en lig huilend voor de deur.

Mijn moeder is er niet meer. Mijn lieve moeder zal ik nooit meer zien…

Dagenlang huil ik. Mijn zuster vertelt dat mama op straat is doodgeschoten. Mijn zuster bukte en heeft daardoor de kogels ontweken. Mijn vader heeft mijn moeder op een groentekar naar de begraafplaats gebracht. Oud Eick en Duinen. Hij heeft daar een familiegraf en moeder ligt boven Moesje I. Pas dagen daarna kan ik naar de begraafplaats. Uren zit ik daar te huilen.

Mijn vader is nooit meer over de dood van mijn moeder gekomen. Hij is nooit meer de oude geweest. Ik denk dat hij door de dood van mijn moeder tien jaar eerder is overleden. Ik besef dat de dood van mijn moeder deze oorlog levenslang markeert. Alles wat nog komt creëert niet meer dan een dun slijtrandje en is niet in staat het verdriet, de beelden, gevoelens en geluiden te laten verdwijnen.

In de dagen hierna ontstaat naast het intense verdriet een enorme haat.

‘Ik heb er te weinig doodgeschoten. Ik heb er te weinig dood­geschoten’, roep ik voortdurend.

Ik ga naar het politiebureau om te achterhalen wie de daders zijn. Ik wil wraak. Op het bureau tref ik grote chaos. Een agent vertelt dat de Moffen alles hebben verbrand. Ik zal nooit weten wie mijn moeder heeft doodgeschoten.

Op een middag zit ik met mijn vader te praten. Ik vraag hem waar het platina horloge van mamma ligt.

‘Dat ben ik kwijtgeraakt aan een boer uit het Westland. Geruild voor een pond aardappels.’

‘Voor een pond aardappels? Wie was dat?’

Mijn vader geeft me een adres. Ik bel Busman en vraag hem mij meteen op te halen. Niet lang daarna stuiter ik bij die boer naar binnen. Terwijl ik een sigaret opsteek vraag ik hem:

‘Zo grootvorst, wil jij ook een sigaret’.

‘Ja’, zegt hij vertwijfeld.

‘Nou dan kijk ik eerst even in deze kast’ en schop de deur van een linnenkast af. Heel die kast ligt vol met linnengoed, horloges en sieraden. Ik zie het horloge van mijn moeder op de middelste plank liggen. Ik kijk die schoft aan en zeg,

‘Dit is mijn horloge van mijn overleden moeder. Ik haal de sigaret uit mijn mond en gooi die voor z’n poten. Oprapen klootzak. Gore hufter die je bent.’

Busman vraagt of ie de Bren moet pakken. Die wil nog effe met een machinegeweer knallen.

‘Nee zo is het goed.’

Ik kijk die vuile flikker aan en zeg,

‘Zorg ervoor dat je mij nooit meer tegenkomt.’

Niet lang daarna ben ik weer bij mijn vader. Ik pak zijn hand en leg daar het horloge in van mama. Hij glimlacht. Een traan rolt over zijn wang.

‘Hoe heb je dat gedaan’, fluistert hij.

‘Geruild voor een sigaret!’

Ik blijf die dagen bij mijn vader en we praten veel over moeder. Ik vertel hem dat ik nog bij tante Koba ben geweest toen we Nederland binnen kwamen. Dat ze stond te huilen en ik nooit begrepen heb waarom. ‘Tsja’, zegt mijn vader, ‘Zij wist dat je moeder dood was’. Ohhh, reageerde ik aangeslagen. Dat is waar. Als ik haar later spreek vertelt ze:

‘Jan ik heb zo vreselijk getwijfeld of ik het je toen moest zeggen.’

‘Ik ben blij dat u dat niet heeft gedaan. Ik had geen enkele krijgsgevangene meer gemaakt maar ze allemaal doodgeschoten. Ik zou er uit woede niet eentje meer in leven hebben gelaten.’

Toen ik nog een puber was zei mijn vader altijd:

‘Jan, wat de mensen betreft. Tien procent zit in de bajes en negentig procent zijn fatsoenlijke mensen.’ Maar door die rotoorlog vertrouw ik niemand meer. Ik ben door alle bedrog enorm achterdochtig geworden.

Ik confronteer mijn vader met zijn tekst van vroeger.

‘Weet u vader dat het precies omgekeerd is. Negentig procent is tuig en maar tien procent is te vertrouwen.’

‘Dat wist ik wel jongen. Maar je had me toch niet geloofd. Dat moet je zelf ontdekken. Nu je het weet ben je op de goede weg.’ Die avond schrijf ik mijn geliefde Sheila een brief.

A. Wynekes

Arts

tel. 336549

12-5-1945

My Dearest Dearest Sheila May,

First of all Darling I want to tell you that my mother has been shot on the 8th of January by S.S. troops. The poor Darling was walking on the road with my sister and suddenly she was shot from the back and killed immediately by those basterds. Sheila you don’t know how I am feeling but believe me I will feel myself terrible for at least one year. I can’t sleep, eat or anything at the moment. Thank God my father and sister are allright. Though they are just walking skelets. I put a photo in this letter from my mother, father and sister made in 1943 and believe me they are looking terrible healthy on the picture.

O, my mother was still looking sweet on the photo don’t you think so. O, I will miss her terrible Darling. The only hope is you Sheila Darling and I wish I had you already with me. I need you now more than ever. Otherwise my family has been very lucky that they are still alive. I give them food and everything. They all think I am God in person. Even the house is there as nice as I have left it. All my clothes my mother has saved, all the blankets, yes Darling everything is safe. It is amazing how my mother has done everything. My father is taking care of my throat immediately. So don’t you worry. Sheila I have seen people here now suffer so as I have never seen before. People are kissing my hands if I have personally liberated them. You have no idea really what has been going on here in liberated Holland. I thank God that everything is over. Really Darling all the money is in safe. Everything is fine. Except my dearly beloved mother. It is such a pity. My mother had a lovely big picture of mine in uniform. I will sent you this picture.

24.tif

De brief waarin Jan zijn vrouw (die nog in Eastbourne is) schrijft dat zijn moeder niet lang voor het einde van de oorlog is doodgeschoten.

So Darling, I will write you tomorrow something more. I promise you. My sister and father are looking forward to you. They have made already two beds nice and cleaned the hole room for you. I bring you over from England immediately. So love all my dearest love and all my kisses for you.

Janneman.

De volgende dag zegt mijn vader:

‘Jan ik wil naar de sociëteit. Ik heb mijn vriendjes gebeld en ze allemaal een glaasje jenever beloofd.’

Al zijn collega artsen, advocaten en ingenieurs komen met de trein. Ik breng hem met de jeep. Met twee flessen jenever onder de arm neemt hij plaats naast mij. Het sociëteitsgebouw ‘de Witte’ is tegenover het Ministerie van Defensie.

‘Kom me over een uur maar halen Jan. Langer houden we het toch niet vol.’

Een uur later ben ik terug. Het hele zaakje is stomdronken. Vier gasten met de hoeden scheef op de kop stappen bij mij in de jeep. Luidruchtig als beschonken studenten. Er hangt een inge­nieur om mijn nek die brult:

‘Jan, mag ik je hartelijk bedanken. Waarvoor weet ik niet, maar het was Goddelijk.’

De volgende dag confronteer ik mijn vader met de dollemansrit door de stad. Stoïcijns zegt-ie: ‘Daar kun je die jeep beter voor gebruiken dan voor oorlog!’

Ruim een week later keer ik terug naar mijn onderdeel op de Frederik Hendrik kazerne. Ik kom daar steeds vaker secretaresses van het Departement tegen. Die komen vanuit Engeland met boten in Hoek van Holland aan.

‘Zijn ze nou helemaal bedonderd. Allemaal vrouwen uit het ‘luizenhuis’ en geen vrouwen van de soldaten van de Prinses Irene Brigade’, denk ik.

Een vriendje van mij is piloot en vliegt fietsbanden van Engeland naar Nederland. Ik vraag hem of ik op de eerstvolgende vlucht mee kan.

‘Jan, natuurlijk. Ik ga er maandag weer heen.’

‘Prima, aan één uur heb ik genoeg.’

Direct na de landing ga ik naar het ‘luizenhuis’ en loop naar de afdeling waar de transporten worden geregeld. Daar zit een alleraardigste kapitein:

‘Klootzak, wil jij nog langer leven jongen? Als mijn wijf niet op de volgende boot zit maar opnieuw alleen van die trutten die hier uit hun neus hebben zitten vreten dan kom ik terug om je af te pellen.’

‘Ja maar luitenant, ik ehh….’.

‘Heb je het gehoord? Ik scalpeer je hoor.’

Begin augustus 1945 komt op de Frederik Hendrik kazerne een Korporaal naar me toe.

‘Je vader heeft gebeld. Je vrouw komt vanmiddag aan in Hoek van Holland.’

Sheila zit op de boot en heeft de marconist, met het nummer dat ik haar in Engeland heb gegeven, naar mijn vader laten bellen. Ik ‘vlieg’ met een jeep naar Hoek van Holland. Blij en verwachtingsvol zit ik in de haven te wachten. Als de passagiers van boord komen loop ik ze tegemoet. Ik zie Sheila niet. Wat zou er zijn? Ik kijk achterom en op dat moment draait zij zich ook om. Ik ben haar voorbij gelopen. Ze is zo vermagerd dat ik haar niet heb herkend. Ik ren op haar af en omhels haar lang en intens. Met haar hoofd op mijn schouder kijk ik over zee. Blijdschap en verdriet vermengen zich. De oorlog nam en gaf de allerbelangrijkste vrouw.’

Nawoord

Begin augustus 1939 was het begin van de Tweede Wereldoorlog. Met alle naweeën van dien heeft die in feite Europa meer dan vijftien jaren, tot aan de Koude Oorlog, verdeeld gehouden. Sommigen vinden het niet goed om het verleden op te halen en achten het beter om ons te richten op de toekomst. Er wordt geschiedenisles gegeven op alle scholen. Maar nog altijd te weinig over de Tweede Wereldoorlog omdat men de gruwelijke lessen uit het verleden niet wil horen.

Miljoenen soldaten hebben in Europa gevochten. Ik ben er maar één van. Velen hebben getracht Nederland te ontvluchten om Engeland te bereiken. Ongeveer tweeduizend Engelandvaarders hebben al dan niet met veel geluk Engeland bereikt. Daartoe behoorde ik ook. Mijn levensloop is dus eigenlijk min of meer het gevolg van de opkomst van die psychopaat Adolf Hitler. Zonder deze ploert zou mijn leven waarschijnlijk anders gelopen hebben. Velen hebben me aangeraden mijn levensverhaal op schrift te stellen. Ik heb het jaren en jaren uitgesteld. Op aandringen van mijn kleindochter Marian Wynekes en haar man Rolf Lebbink heb ik toch besloten mijn levensloop aan het papier toe te vertrouwen.

Ik heb zoals u heeft gelezen in dit boek, vele angsten gekend. Echter zonder dat iemand het gezien of gemerkt heeft. Ook ben ik bijna constant voor gek verklaard en werd ik geconfronteerd met veel jaloezie. Bovendien heb ik zeer veel geluk gehad. Ik heb een allerliefste Engelse vrouw getrouwd, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen gekregen en tenslotte op mijn tweeënnegen­tigste jaar mijn verhaal nog kunnen vertellen.

Ik heb met zeer veel plezier in het leger gediend. Nadien dreigde wederom een derde Wereldoorlog door de dreiging in Korea en de Cubacrisis. Tenslotte ben ik op vijftigjarige leeftijd arts geworden zoals mijn vader zich dit altijd had voorgesteld. En heb ik als dirigerend geneesheer van een prachtig verpleeghuis in Zwolle met voortreffelijk opgeleid personeel nog veel mensen kunnen helpen. Deze kameraadschap en sfeer die ik aldaar heb onder­vonden zal ik niet gauw vergeten. Kort gezegd; ik heb geen spijt gehad van alles wat ik tijdens mijn loopbaan heb ondervonden en meegemaakt.

Tenslotte draag ik met heel veel plezier dit boek op aan mijn achterkleindochter Kelly van vier jaar die twee hartoperaties heeft ondergaan en tijdens de totstandkoming van dit boek een derde hartoperatie met succes heeft volbracht. Ik ben de collega’s cardiologie en chirurgie van het amc en de Leidse Universiteit dan ook zeer dankbaar.

Jan Wynekes,

oud Kolonel der Artillerie G.S.B. (Generale Staf Brevet)

oud Dirigerend Geneesheer van de Weezenlanden te Zwolle